Top navigation

Hoe Kan Dat Wat Oneindig Is Vorm Bezitten?

Door Chaitanya Charana Dasa

Een systematische, logische en schriftuurlijke analyse verklaart de paradox die ten grondslag ligt aan de ogenschijnlijk tegenstrijdige benaming “oneindige vorm.”

Of God wel of geen vorm heeft is een eeuwige filosofische vraag, met argumenten voor beide kanten. De manier waarop we tot God bidden en de manier waarop de heiligen God aanspreken in hun toegewijde gebeden, suggereren dat God een persoon is die we aanroepen. Maar is persoonlijkheid verenigbaar met het idee dat God oneindig is?

Zou een Vorm God Begrenzen?

Voor een vereniging van deze twee concepten—persoonlijkheid en oneindigheid—moeten we eerst de definitie van God begrijpen. De Vedanta-sutra’s (1.1.2) definiëren God, of de Absolute Waarheid (brahman), als de bron van alles: janmady asya yatah. Een andere klassieke tekst, de Brahma-samhita (5.1), definieert God ook als de oorzaak van alle oorzaken: sarva-karana-karanam. Deze beknopte definitie van God is beslist in overeenstemming met het Godsbegrip dat bij de verschillende wereldreligies bestaat. Dus, als God de bron van alles is, dan moet Hij van alles wat is de eigenschappen bezitten, anders zou Hem dat minder maken dan Zijn schepping. In deze wereld bestaan zowel wezens met persoonlijkheid als onpersoonlijke krachten, dus deze beide aspecten moeten aanwezig zijn in God. Als God geen persoon was, dan zou Hij, volgens de definitie van het Complete Wezen, incompleet zijn. Een eenvoudiger manier om dit uit te leggen is deze: Aangezien wij als kinderen van God personen zijn, hoe kan onze vader, God, dan geen persoon zijn? Daarmee zouden degenen die zeggen dat God geen persoon is, Hem eigenlijk beperken, doordat ze Hem iets ontzeggen wat Zijn schepping wel heeft.

Laten we nu deze vraag eens in overweging nemen, “Zijn persoonlijkheid en vorm niet een beperking voor God?” Vedische wijsheid helpt ons begrijpen dat niet vorm ons beperkt, maar materie. Vanwege de aard van materie zijn alle materiële objecten gelimiteerd, of ze nou vorm hebben of niet. Op onderbewust niveau projecteren we onze materiële concepten op de vorm van God, en denken daardoor dat een vorm God zou beperken. Maar God is niet materieel; Hij is volkomen spiritueel. Ziel heeft andere kenmerken dan materie; het spirituele is in potentie onbegrensd, of het nou vorm heeft of niet. Gods spirituele vorm beperkt Hem niet.

Is de Mens Geschapen naar Gods beeld?

Dit brengt ons bij het volgende bezwaar: “Zelfs al zou ik accepteren dat God een vorm heeft, waarom zou Hij dan een menselijke vorm hebben? Is dat geen geval van het toekennen van menselijke eigenschappen aan God?”

In feite is het tegendeel juist waar. Anthropomorphisme—het idee dat we God een menselijke vorm hebben toegekend—lijkt aanvankelijk aannemelijk, maar alleen vanwege ons egocentrisch denken. Omdat wij een menselijke vorm bezitten, stellen we ons God ook voor met een menselijke vorm. Maar kan het tegendeel niet waar zijn? Wat als Gods vorm de oorspronkelijke is, en onze menselijke vorm daarvan is nagemaakt?

Logischerwijs zijn beide ideeën mogelijk. Maar hoe weten we welke het oorspronkelijke is? Als we kennis over wetenschap verlangen, dan verwijzen we naar geautoriseerde wetenschappelijke tekstboeken. Zo zouden we als we kennis zoeken over God ook moeten verwijzen naar geautoriseerde tekstboeken over God—de geschriften. De geschriften van de wereldreligies maken herhaaldelijk verwijzingen naar God op een persoonlijke, menselijke manier. De bijbel spreekt bijvoorbeeld over “onder Zijn voeten” (Exodus 24:10); “geschreven met de vinger van God” (Exodus 31:18); “de hand van de Heer” (Exodus 9:3); “de ogen van de Heer” (Genesis 38:7); en “de ogen van de Heer” (Numbers 11:1). Ezekiel (1:26) beschrijft God als bezitter van “gelijkenis met een menselijke vorm.” Zulke zinnen doordringen de bijbelse literatuur. Ook de Koran heeft verwijzingen als “het gezicht van je Heer” (055:027), “onder Mijn toeziend oog” (020:039), “onder onze ogen” (052:048) & (054:014), en “de hand van Allah” (048:010), (038:075) & (039:067).

Sommige mensen zeggen dat we zulke verwijzingen metaforisch moeten beschouwen. Maar zou dat geen menselijk projectie zijn op het woord van God? Zouden we daarmee niet onze interpretatie opleggen op de zelfverklaarde stellingen van de geschriften, die herhaaldelijk en steevast God presenteren als bezitter van een Menselijke vorm? In plaats van uitdagend te beweren dat geschriften ons een misleidende metafoor voorhouden, is het nederiger, veiliger en logischer om te concluderen dat onze vooroordelen misleidend zijn, en dat die gecorrigeerd moeten worden door de woorden van de geschriften. Daarnaast bestaat de klassieke en onomwonden stelling in de Bijbel (Genesis 1:27): “De mens is geschapen naar Gods beeld.” In welk geschrift wordt gezegd dat God is geschapen naar mens’ beeld? Nergens. Daarom is het juiste begrip dat niet God anthropomorphisch is (een menselijke vorm bezittend), maar dat de mens theomorpisch is (een vorm bezittend die is gemodelleerd naar Gods vorm).

Vedische Inzichten

Net zoals de geschriften uit de abrahaamse religies, verklaren ook de vedische geschriften dat God een vorm bezit. Maar de veda’s gaan nog verder, met levendige beschrijvingen van Zijn vorm. Een voorbeeld is het geschrift dat beschreven wordt als de “rijpe vrucht van de vedische literatuur”—het Srimad Bhagavatam. Dat biedt deze betoverende beschrijving van de vorm van de Heer:

syamam hiranya-paridhim vanamalya-barha-
dhatu-pravala-nata-vesham anavratamse
vinyasta-hastam itarena dhunanam abjam
karnotpalalaka-kapola-mukhabja-hasam

“Met Zijn donkerblauwe tint en Zijn goudkleurig kleding, en de manier waarop Hij een pauwenveer, gekleurde mineralen, twijgen met bloemknoppen en een guirlande van bloemen en bladeren uit het bos droeg, leek Hij op een dramatische danser. Met één hand leunde Hij op de schouder van een vriend, en met de ander rolde Hij een lotusbloem bij zijn stengel tussen Zijn vingers. Lelies sierden Zijn oren, Zijn haar hing tot over Zijn wangen, en Zijn gezicht, lijkend op een lotus, vertoonde een glimlach.” (10.23.22)

De Brahma-samhita (5.30) biedt een vergelijkbaar betoverende glimp van Gods wonderschone goddelijke vorm:

venum kvanantam aravinda-dalayataksham
barhavatamsam asitambuda-sundarangam
kandarpa-koti-kamaniya-vishesha-shobham
govindam adi-purusham tam aham bhajami

“Ik aanbid Govinda, de oorspronkelijke Heer, die virtuoos op Zijn fluit speelt, wiens ogen lijken op lotussen in bloei, wiens hoofd bedekt is met een pauwenveer, wiens prachtige gedaante de tint heeft van blauwe wolken, en wiens unieke bekoorlijkheid miljoenen Cupido’s charmeert.”

Govinda

 

Vedisch Impersonalisme?

Ook al bevatten de vedische geschriften dergelijke levendige beschrijvingen van Gods vorm, een algemeen begrip is dat God nirguna is (zonder kwaliteiten), en nirakara (zonder vorm). Hoewel vedische geschriften dit verklaren, zijn het niet de enige verklaringen die ze geven. Dezelfde geschriften die zeggen dat God nirguna is, verklaren vaak ook dat Hij saguna is (met kwaliteiten). Neem dit vers uit het Srimad-Bhagavatam eens in overweging:

tasmai namah pareshaya
brahmane ’nanta-shaktaye
arupayoru-rupaya
nama ashcharya-karmane

Dit vers beschrijft de Heer als zowel arupaya (zonder vorm) als uru-rupaya (vele vormen bezittend). Om alleen het woord arupaya te citeren, en te verklaren dat het vers zegt dat God vormloos is, zoals sommige commentatoren doen, is oneerlijk.

Zijn zulke vedische beschrijvingen van God tegenstrijdig met elkaar? In het geheel niet. In feite leert de vedische traditie ons een hoger principe, dat zulke tegenstrijdigheden met elkaar harmoniseert.

Laten we eens kijken naar een vers uit de Svetashvatara Upanishad (3.19): apani-pado javano grahita / pashyaty achakshuh sa shrinoty akarnah. Dit vers is op het eerste gezicht tegenstrijdig: pashyaty achakshuh—“God heeft geen ogen, maar Hij ziet.” Hoe kan deze tegenstrijdigheid worden geharmoniseerd?

De vedische traditie bevat een speciale pramana (methode voor kennisverwerving), genaamd arthapatti (postulering), die gebruikt wordt om tegenstrijdige stellingen met elkaar in overeenstemming te brengen door een derde stelling te postuleren. (Bovenop de drie standaard methoden voor kennisverwerving—pratyaksha [directe waarneming], anumana [hypothese], en shabda [horen, met name uit vedische literatuur]—geeft Jiva Goswami in zijn Sarva-samvadini nog zeven andere methoden, waarvan arthapatti er één is.) Om te zien hoe arthapatti werkt gebruiken we de volgende tegenstrijdige stellingen:

1. Jan eet overdag geen voedsel.
2. Jan begint dik te worden.

De arthapatti om deze stellingen te verenigen zou zijn: Jan eet ’s avonds.

De arthapatti voor de vereniging van de stelling dat God wel en geen vorm heeft is dan: God heeft geen materiële vorm, maar een spirituele vorm.

Hetzelfde principe is van toepassing op de beschrijvingen van God als zowel nirguna als saguna. De nirguna beschijving houdt in dat Hij geen materiële kwaliteiten bezit, en de saguna beschrijving geeft aan dat hij spirituele kwaliteiten heeft.

Hier zouden we ons kunnen beginnen af te vragen: “Waarom bevatten de vedische geschriften überhaupt tegenstrijdige stellingen? Zou het niet beter zijn als ze waarheden helder en ondubbelzinnig zouden weergeven?”

Ogenschijnlijk tegenstrijdige beschrijvingen hebben als essentieel belang het op de proef stellen van onze opvattingen, en ons te stimuleren in onze groei naar een hoger begrip.

Overweeg het volgende Ishopanishad vers (Mantra 8): sa paryagach chukram akayam avranam / asnaviram suddham apapa-viddham. Dit vers beschrijft God als akayam (bezit geen lichaam) en daarna als asnaviram (heeft geen aderen). Als God geen lichaam heeft, waarom is het dan nodig om nog te zeggen dat Hij geen aderen heeft? Is het niet duidelijk dat iemand zonder lichaam ook geen aderen heeft? Het Ishopanishad wil dat we opstijgen naar het hogere begrip dat God een speciaal soort lichaam bezit, dat geen aderen heeft.

Uit de beschrijving van Gods lichaam als akayam wordt de speciale aard van Zijn lichaam duidelijk, omdat het woord kaya (lichaam) verschillende connotaties heeft die niet op God van toepassing zijn.

Een lichaam:
* Verschilt van de werkelijke persoon, de ziel.
* Is een product van het vroegere karma van de ziel.
* Heeft de neiging de ziel te degraderen door stimulatie van lichamelijke verlangens.
* Zal opgegeven moeten worden.

Geen van deze vier heeft betrekking op God, wiens lichaam en ziel identiek zijn, die geen karmisch verleden heeft, die niet aan verloedering onderhevig is, en wiens lichaam eeuwig is. Omdat we de neiging hebben onze materiële eigenschappen aan God op te leggen, gebruiken geschriften soms negatieve woorden als akayam om te benadrukken dat God geen lichaam heeft zoals het onze. Waarom is het belangrijk om het verschil te begrijpen tussen onze materiële vorm en Gods spirituele vorm? Materiële vormen zijn van tijdelijke aard, dus aantrekking daarvoor leidt uiteindelijk tot frustratie. Maar Gods vorm is eeuwig, dus aantrekking tot Zijn vorm leidt tot uiteindelijke tevredenheid. De negatieve schriftuurlijke stelling dat God geen vorm heeft (zoals de onze) behoedt ons voor frustratie, en de positieve schriftuurlijke stelling leidt ons naar tevredenheid.

Vormloos Persoon?

Sommige mensen erkennen dat God een persoon is, maar houden vol dat Hij geen vorm heeft. Laten we dit voorstel eens overwegen. We zijn allemaal kinderen of dienaren of onderdeel of uitvloeisels van God; ongeacht de woorden waarin de verschillende religies onze relatie met Hem beschrijven, het essentiële punt is dat we afhankelijk van Hem zijn, en ondergeschikt aan Hem. Wij zijn personen en hebben vorm; als God een vormloos persoon zou zijn, dan zou Hij minder zijn dan wij. Kan het geheel minder zijn dan een deel ervan? Natuurlijk niet. Bovendien, de schriftuurlijke referenties die eerder genoemd zijn spreken niet alleen over Gods persoonlijkheid, maar ook over Zijn vorm: Zijn ogen, handen, benen enzovoort. Het argument voor een vormloos persoon is zowel onlogisch als niet schriftuurlijk.

Mensen verzinnen zoveel van dergelijke misleidende argumenten. In plaats van de moeite te nemen ze allemaal te weerleggen, kunnen we beter begrijpen dat zulke argumenten ontstaan omdat het menselijk brein niet kan bevatten dat God een vorm heeft en toch oneindig is. Maar als we bepleiten dat God geen enkele vorm heeft, met de insteek dat we Gods alomtegenwoordige aard willen behouden, dan worden we geconfronteerd met een andere perpleksiteit: Als Hij geen vorm heeft, hoe kan Hij dan überhaupt ergens aanwezig zijn?
Mensen proberen God voor te stellen als alomtegenwoordig, en bedenken vervolgens hoe ze dat alles doordringende wezen een vorm kunnen opleggen. Maar vorm is geen kwaliteit die God wordt opgelegd, net zo min als dat de rode kleur een kwaliteit is die wordt opgelegd aan een zelfgemaakte roos van wit papier. Vorm is namelijk een kwaliteit die van nature aanwezige is in God, net zoals dat de rode kleur van nature aanwezig is in een roos.

God Samengesteld Als Drie in één

Srila Jiva Goswami (1513-1598)

Srila Jiva Goswami (1513-1598)

Srila Jiva Goswami stelde het klassieke filosofische werk Sat-sandharbha samen, gebaseerd op de leer van het Srimad-Bhagavatam, zoals uitgelegd door Chaitanya Mahaprabhu. Jiva Goswami maakt in Sat-sandharbha een uitgebreide analyse van het beknopte vers 1.2.11 uit het Srimad-Bhagavatam: “Geleerde transcendentalisten die de Absolute Waarheid kennen, noemen deze niet-duale substantie Brahman, Paramatma, of Bhagavan.” Dit vers onthult een diepzinnige driedelige ontologie van de Absolute Waarheid, die in staat is tegenstrijdige attributen van God met elkaar te verenigen.

De verschillende opvattingen over het goddelijke binnen de verschillende tradities van de wereld kunnen onderverdeeld worden in drie algemene categorieën:

1. De alles doordringende energie (Brahman): Wat kwantummechanica de Zee van Energie noemt die ten grondslag ligt aan alles in het universum, wat de mystici de onpersoonlijke eenheid van alle dingen en alle wezens noemen, en wat de vedische geschriften beschrijven als Brahman, het alles doordringende licht.

2. De innerlijke gids (Paramatma): Veel spirituele tradities benoemen een aspect van God dat zich in ons binnenste bevindt. Waar de christelijke tradities naar verwijzen als de Heilige Geest, dat beschrijven de vedische geschriften als Paramatma, de innerlijke gids die onder meer bemiddelt bij de interacties tussen de ziel en het materiële lichaam.

3. De allerhoogste persoon (Bhagavan): Heiligen de hele geschiedenis door hebben contact gemaakt met God als de Allerhoogste Persoon. De Heer die door Moses Jehova werd genoemd, waar Jesus naar verwees als zijn vader in de hemel, en die door Mohammed als Allah geroemd wordt, die wordt in de vedische geschriften onthuld als Krishna, God de al-aantrekkelijke transcendentale Allerhoogste Persoon.

Deze analogie illustreert deze eenheid in verscheidenheid binnen de Absolute Waarheid:

Drie studenten, afkomstig van het platteland, arriveren op een avond bij een treinstation met hun leraar. Ze zijn nieuwsgierig omdat ze voor de eerste keer in hun leven een echte trein zullen zien. Na lang wachten verschijnt er een helder licht in de verte. De eerste dorpeling vraagt de leraar, “Is dat de trein?” De leraar knikt instemmend, en de student neemt afscheid, ervan overtuigd dat hij de trein heeft gezien. Zodra de trein dichterbij komt zien de andere twee de machine, de vorm achter het licht. De tweede student vraagt, “Is dat de trein?” De leraar knikt opnieuw instemmend, en de tweede student neemt ook afscheid, ervan overtuigd dat hij de trein heeft gezien. Als de trein in het station eenmaal tot stilstand komt ziet de derde student de trein in zijn geheel, met zijn bestuurder, meerdere compartimenten, passagiers, en met wat aanmoediging van de leraar ontmoet en bevriendt hij zelfs de bestuurder.

Het heldere licht van de trein vertegenwoordigt de stralende spirituele grondslag, of Brahman, en de machine met zijn concrete vorm vertegenwoordigt Gods plaatselijk aanwezige kenmerk, Paramatma. De ervaring van de derde student is vergelijkbaar met het ontmoeten van de Allerhoogste Persoon, Bhagavan, en het ontwikkelen van een persoonlijke relatie met Hem. De leraar vertegenwoordigt de tradities van wijsheid, die antwoorden geeft evenredig aan het niveau van geduldige toewijding van de zoekende.
Daarmee onthult een holistische visie een drie-in-één Absolute Waarheid die zowel de innerlijke en transcendentale aspecten integreert als persoonlijke en onpersoonlijke aspecten.

Het Bevredigen van het Verlangen van het Hart

Dit artikel is maar een klein voorproefje van de rigoreuze logische en schriftuurlijke analyse waarmee de Acharya’s (voorbeeldige schriftgeleerde toegewijden) zoals Ramanujacharya, Madhvacharya, Jiva Goswami, Baladeva Vidiyabhushana, en Srila Prabhupada het idee dat God een persoon is met een transcendentale vorm onweerlegbaar hebben vastgesteld. Zodra deze waarheid zonder twijfel gevestigd is geraakt in ons hart, dan kunnen we met heel ons hart streven om de Allerhoogste Persoonlijkheid Gods, Sri Krishna, lief te hebben en te dienen, en geleidelijk prema te ontwikkelen, goddelijke liefde, het enige dat ons naar geluk hunkerende hart eeuwig en volkomen kan bevredigen.

Dit artikel verscheen eerder in Back to Godhead magazine. Chaitanya Charan das is van Indiase afkomst, waar hij als monnik en geestelijk leraar lid is aan ISKCON. Hij schrijft ondermeer voor Back to Godhead magazine, en is lid van de SAC, de Raad voor Advies, die de GBC, Raad van Bestuur, adviseert op het gebied van schriftuurlijke kwesties. Hij heeft een opleiding op het gebied van Electronica en Telecommunicatie, en had een van de hoogste GRE uitslagen van de deelstaat Maharastra. Hij organiseert seminars en schrijft teksten over de raakvlakken van wetenschap en spiritualiteit voor verschillende kranten en nationale en internationale organisaties. Hij heeft ruim 500 artikelen geschreven en 8 boeken.

Comments are closed.