Top navigation

Hiranyakasipu Vraagt Erom

Een bloemlezing uit hoofdstuk twee tot en met acht uit het Zevende Canto van het Srimad Bhagavatam.seventh canto

Toen Hiranyakasipu hoorde dat zijn broer Hiranyaksa gedood was door Vishnu, in de gedaante van een zwijn, werd hij woest. Trillend van woede en bijtend op zijn lippen keek hij naar de hemel, zijn ogen vol vuur. Het was een angstaanjagend gezicht. Met ontblootte tanden en een wrede blik in zijn ogen greep hij zijn drietand, richtte zich tot de andere demonen en zei, ‘Luister goed, mijn armzalige vijanden de halfgoden hebben met Vishnu samengespannen en mijn broer Hiranyaksa vermoord. Vishnu is normaal gesproken neutraal, maar dit keer koos Hij de kant van de halfgoden. Onder de invloed van maya gedroeg Hij zich als een wild dier in het bos, en daarom zal ik Zijn hoofd van Zijn romp hakken. Met Zijn bloed zal ik mijn broer Hiranyaksa plezieren, die zelf ook dol was op bloed. Dan zal ik tevreden zijn!’

‘Als een boom bij zijn wortels wordt afgezaagd en omvalt, drogen zijn taken en twijgen vanzelf op. Dus als ik die diplomatieke Vishnu gedood heb verliezen de halfgoden hun levensenergie en zullen ze vanzelf vergaan. Terwijl ik Vishnu dood gaan jullie naar planeet aarde. Daar heerst welvaart dankzij de brahmaanse cultuur en regering van ksatriya’s. De bewoners doen boetedoeningen en offers, bestuderen veda’s, leggen regulerende geloftes af, en zijn vrijgevig. Vernietig ze allemaal! Als de brahmanen gedood worden is er niemand om de ksatriya’s aan te moedigen om offers te verrichten, en als de halfgoden niet bevredigd worden zullen ze vanzelf sterven. Ga direct naar plaatsen waar koeien en brahmanen beschermd en veda’s bestudeerd worden. Sticht er brand, en hak alle bomen om!’

De demonen, van nature dol op catastrofes, volgden Hiranyakasipu’s afgunstige adviezen respectvol op. Ze stichtten brand in steden, dorpen, weidegronden, stallen, tuinen, landbouwgronden en bossen. Ze verbranden de kluizenaarshutten, mijnen met waardevolle metalen, huizen van landbouwers, bergdorpen, dorpen van koeherders en regionale hoofdsteden. Sommige demonen namen graafwerktuigen en vernielden bruggen, beschermende muren en stadspoorten, en anderen namen toortsen en staken de stadsdelen van de burgers in vuur en vlam. Mangobomen en andere bomen die voor voedsel zorgden werden omgehakt. De mensen, ontredderd door dit buitengewone optreden, moesten hun vedische cultuur staken. Omdat de halfgoden geen offers meer ontvingen, werden ook zij gehinderd. Ze verlieten hun woningen op de hemelse planeten, en namen ongezien polshoogte.
Hiranyakasipu wilde onoverwinnelijk, eeuwig jong en onsterfelijk zijn, alle mystieke krachten bezitten, en de koning van het universum zijn, ook van Brahmaloka. In de vallei van de Mandara heuvel begon hij daarom met boetedoeningen. Hij ging op zijn tenen staan, met zijn armen omhoog, en blik gericht op de hemel. Deze pose was enorm lastig, maar hij accepteerde het als de manier om perfectie te bereiken. Uit zijn haren begon een stralend licht te schijnen, helder en fel als zonlicht ten tijde van de kosmische ontbinding. De halfgoden zagen dit schouwspel en gingen terug naar hun eigen planeet. Uit Hiranyakasipu’s kruin kwam vuur dat de lagere en hogere planeten verwarmde. Rivieren en oceanen werden in beroering gebracht, en het aardoppervlak, met zijn bergen en eilanden, begon te trillen. Sterren en planeten weken af van hun baan, en alle windrichtingen stonden in brand.

De halfgoden waren inmiddels zo verschroeid en verstoord dat ze hun planeten verlieten en naar Brahma’s planeet gingen. Ze zeiden tegen hem, ‘O heer van het universum, Hiranyakasipu beoefent zulke strenge ascese dat we niet langer op onze planeten kunnen blijven, dus zijn we naar u gekomen. U kent zijn bedoelingen. Als u het gepast vindt om deze verstoringen te beëindigen, doe dit dan voor uw gehoorzame onderdanen vernietigd worden. Uw positie in dit universum brengt voordeel voor iedereen, vooral voor koeien en brahmanen. Zij worden voortdurend vereerd, en dus nemen allerlei vormen van materieel geluk, rijkdom en welzijn toe. Maar als Hiranyakasipu uw positie overneemt, zal alles verloren gaan.’Brahma benadert Hiranyakasipu
Nadat Brahma dit aangehoord had ging hij, samen met Bhrigu, Daksa en andere grote wijzen naar de plaats waar Hiranyakasipu zijn boetedoening volbracht. Ze konden eerst niet zien waar hij was, omdat hij bedolven was onder een mierenhoop met gras en bamboe. Hij stond daar al zo lang dat mieren zijn huid, vet, vlees en bloed hadden weggevreten. Plots zagen ze hem. Hij leek op een zon die verhuld was door wolken. Brahma was verwonderd. Een glimlach verscheen op zijn gezicht, en hij zei, O zoon van Kasyapa Muni, kom uit je meditatie. Alle voorspoed voor jou. Je hebt perfectie bereikt in je boetedoening, en daarom zal ik je belonen. Ik sta versteld van je uithoudingsvermogen. Ook al ben je aangevreten door wormen en mieren, je laat je levensadem circuleren in je botten. Dat is zeker wonderbaarlijk. Wie in de drie werelden is in staat om zichzelf honderd halfgoddelijke jaren in leven te houden zonder zelfs maar een druppel water te drinken? Dierbare zoon van Diti, vraag om een zegening, en ik zal proberen je wens in te willigen. Omdat ik tot de celestijnse wereld van de halfgoden behoor, sterf ik niet zoals gewone mensen, maar jij zal wel ooit moeten sterven. Toch zal je dankzij mijn audiëntie niet met lege handen achterblijven.’

Comments are closed.